Nieuw(s) 

Nelleke Noordervliet over Bais' Keerpunten
30 november 2009

Nelleke Noordervliet over Bais' Keerpunten

Lees hier de speech tijdens de presentatie van Keerpunten.

‘De geschiedenis van de kernfysica is een van de meest opmerkelijke marketing-rampen in de intellectuele geschiedenis.’ Ik las dit zinnetje in een artikel over het verloren prestige van kernfysica. De kern van het betoog komt erop neer dat fysici niet in staat zijn gebleken, staand op de verworvenheden van hun vak, een filosofisch perspectief te schetsen voor de gehele samenleving. Was Einstein nog de handige pr-man die het imago van de geniale geleerde feilloos wist te mengen met die van een moreel leider van de mensheid, na zijn dood werd het stokje overgenomen door de iconen van computerscience en genetica. Dat zijn nu de sexy wetenschappen die een vergezicht schetsen op de toekomst van de mens en op de aard van de kosmos. En hoewel ik weinig in kon brengen tegen de strekking van het verhaal, lichtten er toch bij elke alinea vraagtekens op in mijn hoofd.
Moet ‘kennis’ zichzelf sluw aan de man brengen alsof het een nieuw soort koopsompolis is? Behoren wetenschappers ook goeroes te zijn? Zijn fysici slechte ambassadeurs van hun moeilijke maar mooie vak en heeft het publiek zich daarom afgewend, of heeft het publiek geen belangstelling meer omdat kennis überhaupt ‘uit’ is, en wie is daar dan weer verantwoordelijk voor? Is er nog wel sprake van de kloof tussen twee culturen, of is er sprake van een kloof tussen cultuur en geen cultuur, waarbij de kleine Gideonsbende van cultuurdragers, hetzij alfa hetzij beta, hun eigen ongelijke strijd strijden tegen de groeiende massa mensen die domheid een verdienste noemen en luiheid een recht. De controverse tussen de ‘two cultures’ – ik hoef hier toch niet de beroemde lezing van C.P. Snow nog eens samen te vatten? Of zal ik dat voor de zekerheid toch maar doen? – Snow beweerde dat de zelfbenoemde intelligentsia van halverwege de twintigste eeuw een stel arrogante alfa’s was die aan de beta-wetenschap het recht ontzegde deel uit te maken van hun elitaire universum dat de richting van de geschiedenis zou bepalen. Het was voor een alfa volstrekt normaal de tweede wet van de thermodynamica schouderophalend niet te kennen - wat gelijkstaat aan het op hun vakgebied schuldig blijven van het antwoord op de vraag wie Shakespeare was – die controverse dus is naar mijn mening in theorie wel bijgelegd, er is geen alfa meer die het belang van betakennis niet met enige jaloezie onderstreept, maar die tweede wet van de thermodynamica zit er nog niet lekker in bij iedereen. Arrogantie is de alfa niet vreemd. Onder die arrogantie verbergt hij voornamelijk luiheid. Het is nu eenmaal voor een alfa moeilijker zich op de hoogte te stellen van de dilemma’s in de natuurkunde dan het voor een fysicus is Oorlog en Vrede te lezen of Jenseits von Gut und Bose. Breintechnisch gesproken bestaat er een verschil tussen mensen met een wiskundeknobbel en mensen met een talenknobbel. De combinatie van beide is zeldzaam, maar de eisen die aan alfaintelligentie worden gesteld kunnen ook makkelijk worden vervuld door beta’s. Hun belangstelling ligt alleen iets anders. Omgekeerd kunnen alfa’s daarentegen veelal niet voldoen aan de eisen die voor betakennis worden gesteld. Maar dat maakt alfa’s niet tot mindere mensen en dat ontslaat hen ook niet van de plicht een elementaire kennis te verwerven van de betavakken. Zo min als het beta’s ontslaat van de plicht hun geschiedenis en cultuur een beetje bij te houden.
Ik verkeer in de gunstige omstandigheid dat mijn man en mijn oudste dochter beiden beta zijn (fysisch chemicus en fysicus). In de tijd dat zij afstudeerde begreep ik van de conversatie tussen vader en dochter voornamelijk de voorzetsels en de persoonsvormen, maar ik laat mij elk jaar de algemene en de speciale relativiteitstheorie van Einstein uitleggen en doe er dan ook wat quantummechanica bij, waarna we overgaan op de snaartheorie. Die tweede wet van de thermodynamica heeft dan ook in zijn algemene strekking geen geheimen voor me. De bewijzen ervan zien we ook met het blote oog in de toenemende chaos van ons aanvankelijk geordende maatschappelijke systeem. De colleges van Richard Feynman heb ik gelezen, evenals boeken van Roger Penrose. Vraag me niet meer wat er precies in staat en of ik alles heb begrepen. In de wetenschapsbijlagen zal ik altijd de artikelen over astronomie spellen. Zo las ik dit weekend een interessant stuk over de gammaflits die sommige theoretisch natuurkundigen in ernstige verlegenheid bracht: een plus voor de snaaraanhangers en een min voor degenen die aan de Lorenzsymmetrie wagen te twijfelen. Ergens halverwege raak ik het spoor meestal een beetje bijster, maar ik lees door tot het bittere einde, zoals ik als meisje van zestien Kafka las: ik begreep niet helemaal wat er stond, maar ik wist dat ik een groot schrijver las. Het reiken naar het nauwelijks begrepene, het rekken naar het hogere, het complexere, is een uitdaging voor iedereen die zijn hersens wil laten werken, omdat hij daar voldoening uit put.
Maar goed, we moeten ook een beetje rekening houden met elkaars zwakheden en we moeten dus als goede gastheren en gastvrouwen de deur openzetten en de gast uit het andere kamp vriendelijk binnennoden en het hem zo goed mogelijk naar de zin maken. Als ik binnenkom in een salon vol natuurkundigen en de heren en dames converseren met elkaar in een jargon dat mijn pet te boven gaat, dan zou het toch netjes en fatsoenlijk zijn als een van de geleerden zich als tolk zou opwerpen om mij in mijn mensentaal uit te leggen, waar het allemaal over gaat. De details hoeven niet, als ik de grote lijnen maar snap. En het vreemde is, dat de gast van buiten misschien zo af en toe een vraag kan stellen of een ervaring te berde kan brengen die het gezelschap geleerden tot nadenken stemt. Over de brug tussen de twee hersenhelften gaat het verkeer van twee kanten. Met name de morele en maatschappelijke dilemma’s die hand in hand gaan met de ontwikkeling van wetenschap en techniek zijn de vraagstukken waarover alfa’s en beta’s zich gezamenlijk kunnen en moeten buigen. En dan samen ten strijde tegen de opzettelijke domheid.
Het boek van Sander Bais biedt daarvoor veel aanknopingspunten. In Keerpunten plaatst hij de wetenschap nadrukkelijk in het centrum van de cultuur en daagt hij onderzoekers uit zich bewust te zijn van die centrale plaats en ernaar te handelen. En hoewel het boek bedoeld is voor een breed publiek en voor jonge studenten, zou het de doorgewinterde wetenschapper zeker niet misstaan er kennis van te nemen en er zijn voordeel mee te doen. Openheid, enthousiasme, verwondering zijn de drie elementen die tot wetenschap leiden en die er ook uit voort moeten komen.
De meest natuurlijke plaats om een kiem te leggen voor enthousiasme voor wetenschap als kernactiviteit van de mens is het onderwijs. Het competentiegericht leren dat tegenwoordig in het onderwijs bon ton is zou daar een goed begin bij moeten zijn, ware het niet dat er geen vaardigheden worden bijgebracht maar kunstjes. De leerlingen hebben het heel druk, het programma schijnt overladen te zijn, maar over het algemeen blijft de indruk achter dat de bagage waarmee ze naar het hoger onderwijs gaan nogal licht en rommelig en van ongelijke kwaliteit is. Ik zou er een voorstander van zijn een algemeen jaar als voorportaal voor de definitieve studiekeuze te plaatsen. Een verplicht algemeen propedeuse op ouderwets universitaire wijze en op ouderwets wetenschappelijk niveau aangeboden door de beste docenten, de meest inspirerende wetenschappers. Dat heeft het voordeel dat de hele breedte van de universitaire vakken aan de orde kan komen, dat alfa’s worden ingewijd in de basisprincipes van betavakken en dat beta’s kennis maken met de range en diepgang van alfavakken. Verkeerde studiekeuzes worden voorkomen. Slechte vakken kunnen worden bijgespijkerd. Een positieve studiehouding wordt aangeleerd. Uitval wordt voorkomen. Excellente studenten kunnen er alvast worden uitgepikt.
In Keerpunten benadrukt Sander Bais de maatschappelijke taak van de wetenschap. Is het onderzoek objectief en waardenvrij, de onderzoeker kan zich niet onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid voor de toepassing ervan. ‘We worden geconfronteerd met de uitdaging om het enorme potentieel van technologische vooruitgang zo te kanaliseren dat het ook werkelijk ten goede komt aan het menselijk bestaan.’ Het ‘wij’ in het citaat is niet beperkt tot onderzoekers. Wij zijn het allemaal.
Vooruit dus. We staan aan de vooravond van enorme veranderingen en nieuwe inzichten. Niet klagen. Niet somberen. Niet zeuren. De wijk in. De boer op. Er staan mooie dingen te gebeuren.